Zo projecteren wij een brandmeldinstallatie
- Eis en gebruik naast elkaarWe leggen het programma van eisen naast hoe de ruimtes echt gebruikt worden. De plattegrond uit de vergunningsaanvraag is een startpunt, en het basisontwerp uit het uitgangspuntendocument geeft de doelen.
- Per ruimte een melderHet gebruik bepaalt het type. Een keuken krijgt een hittemelder, een kantoor een rookmelder. We noteren per ruimte ook de plafondhoogte, want daar hangt af of een puntmelder werkt.
- Zones en groepenElke meldergroep krijgt een eigen detectiezone en één soort melders. Het zoneplan zegt welk nummer op het paneel bij welke ruimte hoort.
- De sturingen vastleggenIn de stuurfunctiematrix staat welke melding welke deur, lift of ontruiming aanstuurt. Die matrix testen we later bij de inbedrijfstelling regel voor regel.
- Wijzigingen doorgevenBij lopende projecten vragen we uitdrukkelijk om elke bouwkundige wijziging, want zo’n wijziging raakt bijna altijd de plaats, het type of het aantal melders. De tekening werken we meteen bij.
“Brandmeld- en rookdetectie voor een pand met negen ruimtes inclusief keuken; kunnen jullie offreren?”
Koen, adviseur: Ja. We beginnen met een adviesgesprek en lopen de negen ruimtes een voor een langs, want het gebruik bepaalt de melder. In de keuken komt een hittemelder in plaats van een rookmelder: damp en kookdamp laten een rookmelder vals afgaan. Die hittemelder krijgt zijn eigen meldergroep, omdat een groep maar één soort melders mag bevatten. Daarna volgt de offerte met een plan van aanpak.
Waar het inspectieschema de projectering op toetst
Op acht punten: bewakingsomvang, aantal en plaats van de melders, het meldertype, afstand tot stoorbronnen, geschiktheid voor de ruimte, handbrandmelders, meldergroepen en onderhoudbaarheid. Ze zijn concreet genoeg om er vóór het ontwerp rekening mee te houden. Achteraf kost elk punt een aanpassing op de bouwplaats.
- Bewakingsomvang. De omvang die de regelgeving voor de gebruiksfunctie vraagt, moet gerealiseerd zijn. Vlucht men door een ruimte met een andere gebruiksfunctie, dan moet ten minste het gemeenschappelijke gebied bewaakt zijn.
- Aantal en positie van melders. Die moeten samen zorgen voor tijdige detectie, zo nodig onderbouwd met een luchtsnelheidsmeting.
- Meldertype tegenover de prestatie-eis. De uitvoering van de melder moet de gestelde eis over brandgrootte correct invullen.
- Afstand tot stoorbronnen. De positie mag geen overschrijding van de prestatie-eis voor ongewenste en onechte meldingen indiceren.
- Geschiktheid voor de ruimte. Componenten moeten bestand zijn tegen temperatuur, vocht, stof, agressieve dampen, explosiegevaar en elektromagnetische velden.
- Handbrandmelders. Voldoende, op logische plaatsen in het kader van blussen en evacueren, zichtbaar en bereikbaar. De relatie met het bhv-plan moet aantoonbaar zijn.
- Meldergroepen. Elke groep moet een correcte relatie met een detectiezone hebben en mag maar één soort melders bevatten.
- Onderhoudbaarheid. Alle componenten zo gepositioneerd dat beheer en onderhoud adequaat kunnen.
Het laatste punt kost op termijn het meeste geld. Een melder boven een vaste installatie of in een atrium zonder bordes is elk jaar opnieuw een hoogwerker.
Voor de normversie geldt sinds de Omgevingswet een nuance. NEN 2535 wordt voor bestaande bouw gehandhaafd op de versie uit 1996 en voor nieuwbouw op die uit 2017. Vernieuwt u de installatie geheel, dan gelden de nieuwbouweisen. Laat u een deel hangen, de bekabeling bijvoorbeeld, dan toetst men het nieuwe deel aan het rechtens verkregen niveau. Voor de projectleider bepaalt dat vaak of een renovatie gefaseerd of in één keer gaat.
Bronnen: het inspectieschema voor brandmeldinstallaties van het CCV, NEN 2535 en het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Wij leggen brandmeldinstallaties aan, vervangen ze en onderhouden wat wij zelf hebben gebouwd. Keuren doet een onafhankelijke inspectie-instelling.